Innovatiecapaciteit provincie Utrecht onder vergrootglas

Hoe innovatief zijn wij als provincie? En waar liggen de kansen om onze innovatiecapaciteit bij te schaven? Daarover gingen 70 collega’s van verschillende afdelingen donderdag 31 januari met elkaar in gesprek tijdens een sessie met Prof. Dr. Albert Meijer, hoogleraar Publieke Innovatie van Universiteit Utrecht. Meijer ontwikkelde een instrument om innovatiecapaciteit te meten.
Naar aanleiding daarvan nodigde het UtrechtLab hem uit, om het innovatiepotentieel van de provincie Utrecht inzichtelijk te maken.

Na een korte introductie zette Meijer zijn methode uiteen om te laten zien hoe organisaties hun organisatiecapaciteit kunnen meten en verbeteren. Kern van zijn betoog: “Kom vooral uit die ambtelijke manier van denken. Improviseer, hoe moeilijk en lastig dat soms ook is door allerlei regels die vaak in de publieke sector gelden.” Volgens Meijer is de kracht van een nieuw idee ook het verbinden van het nieuwe met het oude. Dat staat niet los van wat er al is, maar moet juist worden ingebed in de bestaande praktijk. We moeten ons als organisatie afvragen of we wel de juiste dingen doen, oftewel ‘revitaliseren’ van bestaande praktijken. Neem innovatie ook al van tevoren mee bij het maken van beleid en vooral: waardeer en sta open voor vernieuwing.

Meten is weten
De methode van Meijer om de innovatiecapaciteit te onderzoeken berust op vijf pijlers: Hoe hoger de scores op deze onderdelen, hoe hoger de innovatie binnen een organisatie.

  • Mobiliseren: van innovatieve krachten binnen en buiten de provincie
  • Improviseren: Omzetten van goede ideeën in experimenten en pilots
  • Revitaliseren: Structureel inbedden en opschalen van experimenten
  • Balanceren: Aandacht geven aan risico’s en strijdige waarden bij innovatie
  • Coördineren: Stimuleren

'Maar hoe meet je deze pijlers?'

Daarvoor waren voor iedere pijler meerdere gerichte vragen opgesteld. Worden innovatieve ideeën binnen de organisatie bijvoorbeeld goed georganiseerd? Is er wel genoeg steun vanuit Gedeputeerde en Provinciale Staten? Worden experimenten goed geëvalueerd? Staat men open voor discussies over ethische kwesties, Wordt er wel genoeg aandacht besteed aan het faciliteren van uitwisseling van informatie over innovatie? Allemaal vragen waaruit kan worden afgeleid hoe het met de innovatiecapaciteit van onze provincie gaat. Per tafel (afdeling), waaronder ook een deel van het CMT, ging iedereen aan de slag om de vragen te beoordelen met een score op een schaal van 0-10. Eerst individueel, daarna groepsgewijs, om uiteindelijk per vraag tot één gemiddelde score te komen per groepje. Dat bleek voor sommige vragen makkelijker dan voor andere. Al snel ontstonden interessante en levendige discussies.

Ruimte voor verbetering
De scores op sommige vragen liepen uiteen. Zowel onderling per tafel, als in vergelijking van alle tafels samen. Iedereen heeft natuurlijk zijn eigen ervaringen met innovatie. Positief of negatief, of helemaal niet. Niet iedere afdeling heeft in dezelfde mate met innovatie te maken. Toch was er een duidelijke totaalscore. Op sommige vlakken zijn we als organisatie best goed bezig. Zo scoren we op de pijler Mobiliseren een ruim voldoende. Balanceren en improviseren scoorde net een voldoende. Maar vooral bij de pijlers Revitaliseren en Coördineren is duidelijk meer ruimte voor verbetering. Deze kregen beide een onvoldoende.


‘We balanceren ons suf hier’

Wat gaat er dan nog niet zo goed? Waar is ruimte voor verbetering? Daar lopen de meningen over uiteen, zo blijkt uit de discussie naar aanleiding van de uitkomsten. “Buiten zijn we meer met innovatie bezig dan binnen,” “we zijn al snel tevreden,”

en “een echte visie op innovatie en een echte innovatiestructuur ontbreekt,” zo vinden sommige deelnemers.“Het is nu nog vooral op individueel niveau.” Anderen geven aan dat er pas laat wordt nagedacht over innovatie en missen “gebrek aan lef en ondersteuning.” Voor sommigen kan het qua balanceren juist wel wat minder: “We balanceren ons suf hier. Dan komt er in de praktijk weinig terecht van innovatie.” Ook de wijze van aanpak kan beter: “We zijn wel aan het improviseren en uitproberen, maar vooral nog op gadgetniveau” en: “We moeten meer marktconform acteren.” Anderen wijten de lage scores aan het feit dat we innovatie nog niet echt zien als experiment waar we van kunnen leren. “Zeker als het mislukt.” We hebben het er dus wel veel over, maar: “wat doen we er nu concreet mee?” Innovaties worden nog niet echt wijdverbreid gedeeld met elkaar.’ Wel draagt het UtrechtLab hier zeker aan bij, zo vinden de meesten. Maar er mist nog een duidelijke visie op innovatie.


‘Voor ontwikkeling van ideeën is zeker ruimte’

De aanwezigen van het CMT herkenden zich deels in de resultaten. “We gaan zeker kritisch en serieus met al deze vragen aan de slag. Maar we doen al veel dingen goed op het gebied van innovatie. Het gaat veel beter dan de jaren hiervoor. Voor de ontwikkeling van ideeën bijvoorbeeld is wel ruimte binnen onze organisatie. Maar misschien is deze niet zo zichtbaar. En daarnaast is het de vraag of iedereen in de organisatie wel moet innoveren. Je kunt innovatie wel tot een algemene cultuur maken, maar ik denk dat je het juist moet verbijzonderen. Dan gaat het ook sneller. Op zoek gaan naar andere partners om de mobilisering te versterken, daarin kunnen we zeker ook nog een verbeterslag maken.”

Koers aanpassen, maar hoe?

Zoals gezegd, we gaan de goede kant als het gaat om innovatie binnen de organisatie. We missen vooral nog een structurele aanpak. Met een vertaling van de pilots die breder worden toegepast en opgeschaald binnen de organisatie. Er wordt heel veel gestart, maar na afloop zie je er nog te weinig van terug. Misschien komt dat ook wel door “angst voor teveel beren op de weg,” zoals een deelnemer dat verwoordde. Volgens Meijer is een coördinerende rol hierin heel belangrijk. Uit onderzoek blijkt dat in de publieke sector innovatie bewust moet worden gemanaged. Het UtrechtLab kan zorgen voor meer toepassing in de praktijk.

“Je moet het bestuur niet laten beslissen, omdat je anders niets durft en niet vooruit komt. Dat gebeurt nu nog vaak,” zo stelt Meijer. Maar: “Provincie Utrecht is er natuurlijk ook om een stabiele factor te zijn in de samenleving. Tegelijkertijd moet er wel ruimte zitten op die kerntaken. Er moet ruimte zijn om te experimenteren en het innoverend vermogen te versterken. Dat is het spanningsveld waar het bij publieke innovatie om gaat. Daarin spelen de vijf pijlers een belangrijke rol.” Daar sluit Henri Kool zich in zijn slotwoord volledig bij aan: “We moeten een stevigere regierol pakken. Daar gaan we met zijn allen de komende tijd stappen in zetten.” De discussie is in ieder geval goed op gang!