Woord vooraf

In het programmaplan van het Innovatieprogramma Fysieke Leefomgeving (IFL) is in 2016 al gesteld dat de veranderende maatschappij vraagt om een (mee) veranderende overheid. De komst van de Omgevingswet dwingt ons daar ook toe.

Het wordt steeds duidelijker hoe structureel die veranderingen zijn. Zo signaleert de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur in haar advies van 18 december 2017 drie soorten transities in de maatschappij die impact hebben op onze leefomgeving:

  1. Fysieke transities: zoals de energietransitie, klimaatadaptatie en (versnelde) bodemdaling.
  2. Sociaaleconomische transities: overgang naar een circulaire economie, toenemende ruimtelijke verschillen (zoals sterk groeiende steden versus krimpregio’s), meer nadruk op regionale identiteit, schaalvergroting (in bijvoorbeeld landbouw en dienstverlening), ontkerkelijking, veranderende bevolkingssamenstelling (diversifiëring en vergrijzing) en toenemend toerisme.
  3. Transities in governance: veranderende verhoudingen tussen overheden, instituties en burgers, voortgaande decentralisaties en de snelle opmars van digitale communicatiemiddelen en technologie.


Dat de impact van deze transities groot zal zijn, is zo goed als zeker. Maar hoe die transities zich zullen ontwikkelen en wat de precieze effecten ervan zullen zijn, weten we nog niet goed. Dit vraagt om een adaptieve aanpak. Het vereist van overheden een visie en sturingsmechanismen die situationeel en wendbaar zijn.

De ambitie die Provinciale Staten in het programmaplan van het IFL hebben vastgesteld, sluit daar naadloos bij aan.


We werken samen met het veld (burgers, belanghebbenden en experts) en vernieuwers aan efficiënte oplossingen voor complexe en maatschappelijke vraagstukken. Dit doen we door de opgave zelf centraal te houden en vaak vanuit niet leidende posities. We realiseren onze publieke ambities op een creatieve en inspirerende manier, zodat al tijdens het ontwikkelproces draagvlak ontstaat. We (her)kennen onze meerwaarde, ook bij minder regels en minder geld.”


Het Innovatieprogramma werkt daarbij volgens drie pijlers:


  • 70% experimenteren
    Met 70% van onze capaciteit en middelen experimenteren we in concrete casussen in de negen door Provinciale Staten vastgestelde maatschappelijke opgaven. We geven daarmee een impuls aan actuele projecten.
  • 15% leren en reflecteren
    Voor 15% leren en reflecteren we, in de lopende casussen, met ons netwerk.
  • 15% borgen
    Voor 15% borgen we het geleerde in de provinciale organisatie. Via bijeenkomsten met de trekkers van de experimenten, waarin we thema's bespreken als ‘Effectieve allianties’ en 'Hoe om te gaan met tegenstrijdige belangen’. Ook zoeken we met het netwerk naar methodes voor het uitrollen en opschalen van geleerde lessen op regionale schaal. Dit doen we onder meer via Landschapscafé’s, de Dag van de Ruimtelijke Kwaliteit en het regiolaboratorium UtrechtLab.


Via dit magazine informeren we u over de voortgang van het Innovatieprogramma Fysieke Leefomgeving in 2018.