Aanbevelingen voor de provincie Utrecht over:

CONTINUÏTEIT

Verinnerlijking van geleerde lessen en succesvolle nieuwe werkwijzen vereist van de provincie dat zij verantwoordelijkheid neemt en zichzelf af en toe opnieuw uitvindt. De ervaringen uit het Innovatieprogramma Fysieke Leefomgeving (IFL) maken duidelijk dat verinnerlijken een proces is dat niet in één dag voor elkaar is, maar langdurig tijd en aandacht vergt.

EIGENAARSCHAP

In de casussen is het belang van intern eigenaarschap binnen de provinciale organisatie voor (ver)nieuwe(nde) projecten duidelijk geworden. Het is een belangrijke voorwaarde om de capaciteit, sturingskracht en middelen te organiseren die nodig zijn een project verder te helpen. En het is voor de projectleider van belang dat er één duidelijke opdrachtgever is in de interne organisatie. In diverse casussen die het IFL ondersteunde bleek dat dit interne eigenaarschap niet altijd vanzelfsprekend gewaarborgd is. Hoewel individueel commitment en energie van medewerkers van groot belang zijn voor het opzetten en gaande houden van experimenten, kan dit individuele commitment tegelijkertijd zorgen voor continuïteitsproblemen wanneer het project niet goed in de organisatie geborgd is.


Bij de casus ‘Wegh der Weegen’ ontstond bijvoorbeeld onduidelijkheid over de plek in de organisatie waar het samenwerkingsproject thuishoorde, doordat de borging gekoppeld bleek aan de betrokken beleidsmedewerker. En ook bij de casus ‘Knooppunt NS-station Bunnik’ bleek de continuïteit van de provinciale bijdrage niet goed geborgd toen de betrokken beleidsmedewerker niet meer beschikbaar was. Daarnaast kan ook prioritering in werkzaamheden en beschikbaarheid van menskracht ervoor zorgen dat continuïteit van de toegezegde provinciebijdrage spaak loopt en expertise verloren gaat, zoals aanvankelijk gebeurde bij de casus ‘Vliegwiel van gemeenschapskracht’.

De provinciale organisatie moet zich goed bewust zijn van haar aandeel in een casus en bij de start van een project goed vastleggen hoe de provinciebijdrage gewaarborgd is gedurende de looptijd van het project. Dit is in haar eigen belang en dit is ook het minste wat de betrokken partners en stakeholders van de provincie mogen verwachten.

OVERDRACHT

Het IFL ondersteunt diverse projecten van de provincie Utrecht waarin is gekozen voor een vernieuwende aanpak. Hoewel die ondersteuning vanuit het IFL een concrete einddatum kende, gold dat natuurlijk niet voor de casus waaraan gewerkt werd. Opnieuw is de casus ‘Knooppunt NS-station Bunnik’ daarvan een voorbeeld. Die ontwikkeling gaat door, ook na afronding van de pilotfase waarin de provincie actief deelnemer was. De verschillende samenwerkingspartners hebben echter een ander beeld van de gemaakte afspraken over de samenwerking ná de pilotperiode. Vragen als ‘Wat verwacht je van elkaar na afloop?’ en ‘Hoe gaat het proces verder zonder de provincie?’ hadden naar de mening van alle samenwerkingspartners beter besproken en geborgd moeten worden.

De provincie moet zorgdragen voor een goede, duidelijke overdracht en afhechting aan het einde van een casusperiode. En moet zich terdege bewust zijn dat een casus eindigt voor de provincie, maar dat het voor de betrokkenen geen casus is, maar een werkelijkheid en ambitie die niet opeens stopt.